Deze tekst werd geschreven voor het Passaportafestival.

Het meisje fietst. Haar blonde paardenstaart wappert in de zon, ze heeft een te kort spijkerrokje aan en afgetrapte gympen. De zomer lonkt. Het meisje is op weg naar haar oma, ze moet de

VRT-gebouwen langs, de Lambermontlaan helemaal naar beneden, en dan het stoffige kapotte fietspad langs het kanaal afrijden tot in Beigem. Dat is haar doel. Ze zit hoog op de blauwe fiets met het witte zadel, haar bruine stevige kuiten trappen haar lijf vooruit, ze is 14, klein voor haar leeftijd, sterk en behendig. Dit is haar vrijheid.

 

Het meisje fietst. Haar dochter fietst naast haar. Het meisje leert haar dochter zich soepel te bewegen in het Brusselse verkeer, waar ze op moet letten, de ogen die ze op haar rug moet hebben.

De auto’s die overal vandaan kunnen komen en 1000 kilo wegen en je verpletteren.

De autodeuren die open kunnen slaan als je voorbij fietst, die zich in je sleutelbeen rammen.

De auto’s die zonder te knipperen rechts afslaan.

Alle automobilisten die nu nog steeds vergeten dat er zoiets als een fietser rondrijdt in Brussel. De kuilen in de weg, de duizenden verkeersborden die je moet leren ontcijferen. De voetgangers die natuurlijk voorrang moeten krijgen.

Moeder en dochter. Moeder en meisje. Na ongeveer een kilometer, precies tussen thuis en de muziekschool in, barst het kleine meisje in tranen uit.

Mijn dochtertje, een kwetsbaar vogeltje, staat te schokschouderen in de Birminghamstraat in Molenbeek: het is té veel. Ze moet op té veel letten. Ze zal het nooit kunnen, huilt ze.

Maar mijn dochter is dapper en koppig en langzaam maar zeker leert ze het verkeer in Brussel op haar duimpje kennen.

Langzaam maar zeker herwint zij op haar beurt hààr vrijheid.

 

De vrijheid van de fietser is groot. De beheersing ook. De fiets en de fietser zijn elkaars verlengstuk. Mijn zoon heeft dat bijvoorbeeld nog niet helemaal begrepen. De fiets rijdt met hem in plaats van hij met de fiets. Met alle spectaculaire gevolgen vandien, want fietsen zijn vinnige beestjes, die de rare neiging hebben hun bereiders met wilde bokkensprongen van zich af te werpen, althans, volgens mijn zoon. Ook fietsen willen vrij zijn…..

 

Het meisje leert haar kinderen fietsen, ze wil hen het goddelijke geschenk van behendigheid en vrijheid geven. Ze wil hen laten toetreden tot de groeiende schare fietsers die de hoofdstad veroveren. Voor hen is dit manifest.

 

Fietsmanifest:

 

PUNT EEN

 

Ik rijd met de fiets omdat de fiets een democratisch en toegankelijk instrument is. Dat vind ik trouwens ook van de kleine italiaanse koffiezettertjes, lampenradio’s en de soepdraai. En dit zeg ik zonder nostalgisch te zijn, want ik schrijf deze tekst vol overgave op een erg hedendaagse computer.

 

De fiets lijkt een beetje op de auto’s van vroeger: je kunt mits je wat oefent een fiets zelf repareren, je kunt er wat aan prutsen en het rijdt weer.

 

Fietsen is niet voor specialisten, fietsen is voor iedereen.

Zelfs voor mijn zoon.

Fietsen zijn relatief low-tech, en daar houd ik van.

Als het ding kapot is, is een doe-het-zelf en doe-het-nu reparatie een haalbare gedachte, wat niet het geval is voor een auto, een metro, of een trein. Daar ben je afhankelijk van de anderen, van specialisten.

Wie een gebruiksvoorwerp beheerst, onder controle heeft, krijgt een gevoel van kracht, van vrijheid, van autonomie. Jij hebt greep op de dingen, niet omgekeerd.

 

Net dát ontbreekt pijnlijk in ons soort samenleving.

 

 

PUNT TWEE

 

Als je fietst en het regent, word je nat. Als je in een auto rijdt word je inderdaad niét nat.

En het verschil is van het grootste belang.

De fietser heeft rechtstreeks voeling met de plek waar hij rijdt.

De autobestuurder is afgesneden van de plek waar hij rijdt.

Een fietser kun je altijd aanspreken -behalve als hij heel hard wegrijdt.

Een autobestuurder is al moeilijker aan te spreken. Hij kan zich verschansen.

De mogelijkheid om zich te verschansen maakt van de autobestuurder, hoe aardig hij voor de rest ook kan zijn, een afstandelijk en weinig empathisch wezen. De fietser maakt vaak een praatje, op een straathoek, op de stoep, een brug.

 

PUNT DRIE

 

Een fiets is bescheiden. Vermoedelijk is niet elke fietser bescheiden, een fiets is dat wel.

Fietsen domineren het straatbeeld niet door hun gewicht of hun grootte.

Fietsen zijn elegante, gestroomlijnde, efficiënte, minimalistische gebruiksvoorwerpen.

Telkens opnieuw trek ik grote ogen als ik zie hoeveel je op een fiets kunt vervoeren: hoeveel mensen, hoeveel dingen, hoe hoog, hoe zwaar, hoe groot en dat past allemaal op 2 smalle wielen die alleen maar in evenwicht blijven door beweging. De fiets doorstaat dan ook moeiteloos de vergelijking met de elegant wiegelende achterwerken van Afrikaanse vrouwen, die door een beheerste slingerbeweging een gewicht gewichtloos maken.

Een fiets is een magisch voorwerp. Ook dat kan mijn zoon beamen: kijk mama, ik fiets. Dat is het moment van revelatie.

De bescheidenheid van de fiets siert de bestuurder.

 

 

PUNT VIER

 

Een fiets maakt geen lawaai. In deze tijden van niet afhoudend gemotoriseerd geronk en gedigitaliseerd gebliep, vind ik elk voorwerp dat geruisloos werkt en zich bijgevolg niet aan je opdringt, een zegen. Het is een onmisbaar wapen in de strijd tegen de terreur van lawaai in onze samenleving.

 

PUNT VIJF

 

De fietser laat zich niet rijden. Hij legt afstanden af dankzij de eigen fysieke inspanning. De vervreemding die gemotoriseerd vervoer met zich meebrengt, valt weg bij het fietsen. De fietser weet, net als de voetganger trouwens, dat hij zelf de maat is van de dingen. Trapt hij hard, hij zal snel fietsen. Trapt hij lui, hij zal traag vooruitgaan.

 

PUNT ZES

 

Iedereen die in Brussel fietst is voor mij een held.

Want iedereen die in Brussel fietst trotseert niet alleen het vreselijke Belgische weer, de slechte fietspaden, de kasseien, de mensonterende rijstijl van de bussen, de anarchie in het verkeer en de gemene hellingen, hij biedt ook dagelijks weerwerk tegen een aantal vastgeroeste denkbeelden in de Brusselse samenleving. De fietser in Brussel is , vaak zonder dat hij het zelf beseft, een politiek activist, niet in woord maar in daad. Koning auto wordt nog steeds blind vereerd in onze hoofdstad, en de dagelijkse fietser laat zien dat het ook anders kan.

 

 

 

O fietser!

Dappere, onvermoeibare fietser!

 

Nee, niet de fietser die de Tour de France rijdt.

Niet Tom Boonen, niet Sven Nijs.

Hoewel zij ook stuk voor stuk zeer te waarderen fietsers zijn.

 

Deze lofzang is voor andere helden, Brusselse helden.

 

Voor de moeder die elke dag met één kind achterop en één kind voorop de Brusselse wegen trotseert.

Voor de opa die tergend traag naar de bakker fietst, in weer en wind.

Voor de student die op een gammel ros naar de lessen gaat.

Deze lofzang is voor de jongens en de meisjes die met hun fiets hun plek in de grote stad veroveren.

Voor de ambtenaar die de vreselijke helling aan de Botanique oprijdt om tot in de Wetstraat te raken.

Voor de Molenbeekse huisvrouw die leert fietsen op haar 30ste.

Deze lofzang is voor iedereen die op zijn stalen ros de Brusselse hel bedwingt.

 

Ga en vermenigvuldig U.

 

 

 

Advertenties