Onlangs werd ik uitgenodigd om een tekst te schrijven over hoe het voelt auteur te zijn in een meertalige stad als Brussel. Hieronder het resultaat

 

 

Woensdagochtend, 9 uur. Molenbeek, laag Molenbeek, vuil Molenbeek, arm Molenbeek, berucht Molenbeek, vlakbij de Gentse Steenweg. Een morsige straat, een schooltje.  Stenen grauwheid, betonnen tegels op te smalle stoepen, teveel auto’s staan stil, bumper aan bumper, daartussen wringen zich de moeders en de vaders die hun kroost hebben afgezet.

Ik zit in de eetzaal van het schooltje, met nog een heleboel andere mensen, een kakafonie van hoofddoeken, hoeden, blond haar, zwarte kroes, donkere lokken, een kakafonie van talen ook. We zitten dicht op elkaar, alle hoofden gericht naar een wit scherm. We worden geïnformeerd over een actie om te ijveren voor een autovrije straat. Iedereen is het erover eens “dat het zo niet langer kan”, “dat het een schande is” ,” oui que c’est important d’agir!” en ook, ja ook “que es una verdadera desgracia”. Ik kijk opzij, links van me zit een vrouw, alert, ze spreekt Spaans met haar buurvrouw, ze hebben beide een hoofddoek aan.

Ik had hen de laatste weken al gespot, tussen de auto’s, tussen de mierennest van ouders op de te smalle stoep voor onze schoolpoort. Spaans! In Molenbeek! Hoezee, ik heb in Spanje gewoond. Ik had hen al aangeklampt daar op de stoep, ik wilde Spaans praten, maar ik wilde vooral weten waar ze vandaan komen. De onweerstaanbare nieuwsgierigheid, de drang om informatie slurpen. Ik ben auteur,  ik wil wéten. Ik wil verhalen voor mijn verhalen stelen.  Ik beschouw mezelf als een lid van de familie van de sponsachtigen, weliswaar een hoogontwikkeld lid, maar toch: een spons met hersenen. Ik zuig verhalen in me op.

En hier naast me, op de infovergadering over autovrije straten, zit  een kanjer van een verhaal. Ze komen uit Valladolid, de vrouwen, ze zijn naar België gekomen om te werken, in Spanje weegt de crisis loodzwaar door, ze zijn moslim en zijn in groep naar Molenbeek gekomen. Hier kenden ze mensen. Ze spreekt prachtig Spaans, en lacht me uit omdat ik een vunzig Andalusisch dialect uitkraam. De hele vergadering door, die in het Frans en het Nederlands plaatsvindt, vertaal ik naar het Spaans, ze zijn nog niet zo lang in België.

 

Ik sla het verhaal van deze vrouwen op in mijn hersenen.

In de grote verhalenbibliotheek die ik dagelijks aanvul, en die op een door mij nog niet geheel doorgronde wijze verhalen met elkaar laat versmelten, verhalen na verloop van tijd laat verdwijnen, andere verhalen uitvergroot. Mijn verhalenbibliotheek zit vol zijgangen, ingewikkelde structuren, vol overbodige verhalen ook, het is een kronkelig nogal duister oord, maar ik verdwaal er nooit. In mijn verhalenbibliotheek wonen erg luide verhalen, sommige zijn erg grappig, ander dieptreurig, sommige zijn details, sommige tragedies, veel verhalen zijn taalloos, een aaneenschakeling van woordeloze beelden.  In mijn hoofd wonen er verhalen in het Nederlands, in het Frans, in het Spaans, in het Engels, in Oost-Europese talen, in Afrikaanse talen die ik niet kan thuisbrengen, in rare mengtalen.  Dat kan ook niet anders. Ik woon in Brussel en dat zullen we geweten hebben.  Ik steel verhalen uit een stad zonder meerderheidstaal. Een stad met vele gezichten. Een stad waarin een Nederlandstalige witte stripauteur naast een Spaanstalige moslima zit te luisteren naar een tweetalig exposé over een autovrije straat. Een stad die mijn verhalen mee vormgeeft.

 

Advertenties